Zo veel blogs kon ik nog over jou schrijven. Over je behendigheid en atletisch vermogen bijvoorbeeld, waarmee je ons telkens weer versteld deed staan. Zoals toen je ineens op de hooizolder bleek te zijn en wij ons afvroegen hoe je weer naar beneden moest komen. En dat je toen die gammele ladder met soepele tred afliep alsof je het al jaren deed. Of toen je ineens op de bovenste legger van ons hoge hemelbed paradeerde. Of op de veel te dunne spijlen van het droogrek balanceerde. En hoe je als in slow motion van de ijskast naar de cv-ketel zweefde.

Ik zou glimlachend verhalen over de komische manier waarop je ons trappenhuis als flipperkast gebruikte, je afzettend tegen de muren waarna je triomfantelijk, altijd als eerste in een paar sprongen boven, stond te wachten om de complimenten in ontvangst te nemen. Over je ritmische gekrab aan de deur op het moment dat de wekker gegaan was. Over je geduld om de muizen op te wachten die je zus Aaf had opgegeven. Over de ijver waarmee je spinnetjes, vliegen en kevers achtervolgde.

Trots zou ik schrijven hoe je in een mum van tijd wist hoe het kattenluikje werkte en wij nog niet door hadden dat jij alweer binnen was. Over hoe je ‘met houten pootjes’ door de woonkamer marcheerde, zoals baas B. het zo treffend omschreef, en wij wisten dat er dus een uitbarsting van energie aan zat te komen. Over hoe je voor het eerst met groot gemak een boom in ging en vervolgens niet meer naar beneden durfde. En hoe wij toen de ladder gepakt hebben om jou eruit te halen, maar dat je niet vastgepakt wilde worden. En dat ik toen jouw lievelingsvest met capuchon aangetrokken heb, in de hoop dat je op mijn rug zou springen, wat je namelijk helemaal geweldig vond. En dat we zo inderdaad  – oh, triomf! – samen veilig zijn afgedaald.

Natuurlijk zou ik uitweiden over de toneelstukjes met je zus Aaf. Hoe jullie konden spelen, vechten en verzoenen. Hoe je Aaf opwachtte als ze van de bak kwam en met een grote sprong overviel. Hoe je haar ’s avonds een likje (eentje dan hè) op haar kop gaf als ze ook eventjes op schoot kwam zitten. Over de manier waarop jullie elkaar besnuffelden bij een ontmoeting na wat zelfstandige bezigheden. Hoe jullie altijd zonder problemen van hetzelfde bordje aten. En hoe jullie echt zussen waren als jullie samen op de vensterbank naar de vogeltjes loerden. Over hoe jullie met gemauw contact hielden als we ‘een rondje om het meertje’ deden. Waarna jij altijd tevreden omrolde op het erf of in het zand.

Ook over je overdreven wantrouwen tegenover elke bezoeker, zou ik vertellen. Jouw eenkennigheid maakte dat je bij het geluid van vreemde voetstappen grommend en laag bij de grond naar boven snelde om je in een kast te verschansen tot de brutale vreemdeling weer weg was. Stel je voor dat dat mens je leuk zou vinden en zou willen aaien, brrr.

Ooit zou ik ook je vertederende kenmerken openbaar maken. Hoe ongelooflijk lekker je pootjes roken. Een beetje als zoethout, maar ook met een zweem van gestoomde deken, zoals Midas Dekkers de poezengeur omschreef.
Mooie zinnen kon ik schrijven over je grote arsenaal aan geluidjes. Je zachte begroetingsgemurmel als je ’s ochtends bij ons bed stond. Hoe je mauwend kon gapen, en gapend mauwen. Je juichen en jubelen bij het woord ‘snack’. En hoe je het krijgen van die snack handig wist uit te breiden naar verschillende situaties. Zoals steevast na het stofzuigen, omdat ik jou de eerste keer dat ik dat onding tevoorschijn haalde, die beloning had gegeven. En als ik na het soppen uit de badkamer kwam, had je er ook recht op, want dat leek toch op stofzuigen?
Ik zou vertellen over je verschillende warme slaapplekjes. Zoals ons bed, de verwarmingshangmat en de computermodems. En dat je voordat je ging liggen graag even wat water lebberde, uit mijn glas natuurlijk. Over hoe je mijn pilatesoefeningen verstoorde door snorrend en geheel ontspannen op mijn buik te gaan liggen als ik die buik onder spanning probeerde te brengen.

Maar nu.

Nu moet ik dit allemaal inééns kwijt, kan ik niet meer wachten. Want ik kan nog slechts schrijven vanuit herinneringen. Omdat jij. Anders zó voorzichtig. De weg overstak. Op een moment. Dat het niet kón. Stomme, stomme, stomme poes.
In de berm vonden we je – of eigenlijk je omhulsel, waar je vrolijke poezenziel voorgoed uit vertrokken is. Een omhulsel met een vertrouwd zacht velletje, dat wel.

Dus dwing ik mezelf, na het grootste verdriet, de herinneringen te koesteren. En denk ik terug aan het schootritueel, dat altijd volgens een vast patroon moest verlopen. Indien nodig kwam je me halen op mijn werkkamer, door via de achterkant van de bureaustoel in mijn nek te springen. Nadat ik jou je zin had gegeven en me verplaatst had naar de vaste stoel in de woonkamer, begon het echt: eerst ging je op de stoelleuning zitten en met de voorpootjes trappelen. Daarbij je reebruine neusje hard tegen mijn buik duwend, met zacht gespin. De oogjes steeds meer dichtknijpend, af en toe even liefdevol omhoog kijkend. Dan ook het achterlijf op schoot en nog even doortrappelen. Maar niet te lang, want dan was het tijd om je om te gooien, meestal op je linkerzij zodat je op mijn rechterarm gevlijd lag. Tevreden nog even doortrappelend, met kracht de achterpootjes tegen mijn been afzettend. Nog steeds knipogend, terwijl ik je zachte buik aaide. Dan uitrekken, nog even flink zuchten, oogjes dicht – tijd voor de totale ontspanning. Het ultieme geluk: als ik dan ook nog zachtjes ‘baby Eef’ tegen je zei.

Ruim drie jaar heb je mijn leven verrijkt. Dag Efie.


Dit artikel is 3.135 keer gelezen | Geschreven door

Over de auteur

Journalist met een zwak voor dieren. In het gezelschap van o.a. paard, pony en 2 geweldige poezen waar eindeloos over te bloggen valt.