Raskatten en buiten spelen. Het is niet altijd een match made in heaven, zoals Xaviera in The Great Escape al beschreef. Zie maar eens een balkon of een tuin zo te beschermen dat je kat er niet vandoor gaat. Dat lukt soms wel, maar – in mijn geval dan – soms ook niet. Het resultaat? Een geslaagde ontsnapping. Voor de kat dan. Niet voor mij.

Het begon allemaal zo goed met onze Bengalen en dat buiten spelen. We hadden twee tuigjes, twee lange riemen, maakten daar de katten aan vast en bevestigden die riemen vervolgens weer aan een pin in de tuin. De katten konden lekker ravotten en leken zich niet eens bijster veel aan te trekken van hun tuigjes.

Verkeerd gedacht.

Want intussen was ook de kater al bezig met een groot meesterplan met als titel ‘Hoe bevrijd ik mij zo stil, makkelijk en onopvallend mogelijk uit het tuigje.’ Eerlijk is eerlijk, het was even oefenen. Zo stortte hij zich met gevaar voor eigen leven van de speelgoedglijbaan in de tuin om te kijken of hij op die manier zich van het tuigje kon ontdoen.

En ja, we gaven ‘m nog een reprimande. Maar natuurlijk hielp dat helemaal niets. Meneer wilde de wereld zien en liet zich niet weerhouden door één of ander dom tuigje. Hij bleef dan ook verwoed oefenen. Hoe goed we ook probeerden een oogje in het zeil te houden. Maar ja, er komt wel eens bezoek langs, je moet wel eens naar binnen voor een-ditje-en-een-datje of je bent simpelweg even aan het dromen.

Perfecte gelegenheden voor de kater om zich van het tuigje te ontdoen. Zoveel had-ie inmiddels wel geoefend. Al was de glijbaan verruild voor de bosjes. Als je als kat in de struiken zit, kan niemand zien wat je aan het doen bent. Nog handiger. En dus zorgde meneer dat-ie klem kwam te zitten in een plant, perste zich tegen de grond, maakte zich zo lang mogelijk en kroop achteruit. Als een trui of een tweede huid, ontdeed hij zich van het tuigje.

Die tactiek zag ik pas bij ontsnappingspoging 3 of 4. Maar eerlijk is eerlijk, toen bleef-ie nog gewoon lekker in de tuin rond drentelen. Niets aan de hand. Wel verontrustend.

Afgelopen zondag besloot de kater tijdens een BBQ in de tuin een nieuwe kans te wagen. Terwijl wij een hamburger naar binnen schrokten, sloop de kater in de struiken en gooide het tuigje van zich af. Daar kwamen we pas een uurtje later achter. En in dat uurtje had de kater al lang de tuinen van de buren verkend. Met gemak sprong hij op de daken van tuinhuisjes, hekjes en schuttingen.

Hij had de tijd van zijn leven.

Gelukkig was het ook etenstijd voor de katten, dus kregen we zijn volle aandacht nadat we even rammelden met zijn etensbakje. De aantrekkingskracht van de brokjes bleek toch groter dan de hang naar avontuur. So far so good.

Tot een dag later. Het was prachtig weer, vriendlief had nog even het gras gemaaid en na dat klusje de achterdeur achter zich dicht getrokken. Dacht hij. Die deur was namelijk helemaal niet goed in het slot gevallen. En ja, de kater had dat ontdekt. Zijn uitbraak was de makkelijkste ooit. Hij hoefde zich niet eens uit een tuigje te wurmen. Tegen de tijd dat wij erachter kwamen dat hij was ontsnapt, was hij in geen velden of wegen te bekennen.

We hoorden hem overigens wel. Net als de andere buurtkatten die hem meteen een aantal klappen verkochten. Onze Bengaal jankte ervan. Maar terug naar huis komen? Nee, meneer vertikte het. Na een zoektocht van een klein uurtje, besloot vriendlief, dat het mooi was geweest. ‘Het is een kat en die vindt zijn weg naar huis wel,’ probeerde hij mij nog gerust te stellen. Ik snikte nog wat na ( ik word altijd bijzonder emotioneel van dit soort toestanden), maar vond uiteindelijk ook wel dat het zoeken in het donker niets zou opleveren.

Al deed het wel pijn. In gedachten zag ik de kater al afdwalen uit de binnentuinen richting de snelweg of gewond liggen onder één of andere struik. De geluiden van ruziënde katten in de buurt stelden me al helemaal niet gerust.

Het was een onrustig nachtje. Zo’n nachtje waarvan je blij bent dat de wekker gaat en het weer licht is. Vriendlief kleedde zich zo snel mogelijk aan. ‘Ik ga wel een rondje doen. Kijken of ik hem kan vinden,’ riep hij nog. En weg was-ie. Tien minuten later keerde hij terug. Met onze Bengaalse kater in de armen. ‘Kijk eens wie ik hier heb?’

De kater was een straat verderop gevonden door vriendlief. Overigens zag de kater er niet erg getraumatiseerd uit. Zichtbare oorlogswonden had hij ook niet. Het enige waar meneer behoefte aan had was eten en water. Dat kreeg hij ook. Al kwam het allemaal in het zelfde tempo er weer uit. We hielden het maar op stress.

En daarna? Daarna nestelde hij zich op de bank en gaapte nog maar eens een keer. Wat daarna volgde laat zich nog het best omschrijven als een comateuze toestand. Er was geen beweging meer in te krijgen. In zijn zus – de diva– wel. Die vond dat nachtelijke avontuur van haar broer maar niets en uitte haar ongenoegen door maar eens goed naar hem te blazen.

Geef haar eens ongelijk, wan stiekem wilde ik ook even heel hard naar hem blazen. Uit ongerustheid. En een gebrek aan slaap. Want lekker slapen als je Bengaaltje ’s nachts buiten rondzwerft? Nee, dat zat er niet in. Maar ik heb het hem vergeven. Zeker nu hij weer zo lekker thuis slaapt. Tot de volgende keer dat hij weer probeert te ontsnappen. Ik heb alvast drie extra sloten gekocht.


Dit artikel is 2.867 keer gelezen | Geschreven door

Over de auteur

Deze catlady doet in het dagelijks leven iets met schrijven. Al word ik regelmatig afgeleid door mijn twee eigenwijze Bengaalse katten, Jambo en Tsavo. Never a dull moment met deze monsters ...